2
Diefstal (לזג, gezel, ‘roven’, ‘toe-eigenen’, enz.) Van al de categorieën van de zeven universele geboden, is het verbod op diefstal misschien wel de moeilijkste om te gehoorzamen. De menselijke geschiedenis en psyché zijn duidelijk in overeenstemming met de Talmoedische uitdrukking dat ‘de ziel van de mens hunkert en verlangt naar ontucht en diefstal’. Maar diefstal plegen, in tegenstelling tot ontucht, is vaak een eenvoudige zaak waarbij de mogelijkheid zich vrijwel onafgebroken aandoet. Bovendien bevat het verbod op diefstal aspecten die, zonder gedegen studie, wellicht niet herkend worden en zelfs acceptabel worden geacht. Daarom is een frequente studie van de wetten van diefstal belangrijk. Voorbeelden van diefstal zijn verkrachting, geweld, oneerlijke concurrentie, filmpiraterij, uitstel van betaling, verstoring van rust, rekken van de middagpauze, heling en roddel. Jaloezie is verboden, in zoverre dat je geen stappen mag ondernemen om eigenaar te worden van datgene wat van een ander is (en niet te koop staat). Diefstal is een uiting van ontevredenheid met het deel dat God je heeft toegekend. Dierenmishandeling ( רבא ןמ יחה , ever mien hachai, ‘deel van een levend wezen’) Dit verbod staat expliciet vermeld in Genesis 9:3-4: ‘Al wat zich beweegt en levend is mogen jullie als voedsel gebruiken, evenals het groene kruid geef ik jullie alles. Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, mogen jullie niet eten.’ Dit betekent niet dat het bloed van een dier zijn ziel is en dat God de mens verbood om dierlijk bloed te drinken. De vitale dierlijke ziel bevindt zich in het bloed, en dit is waar het gebod naar verwijst. Want als het dier sterft, vertrekt de vitale ziel. Zolang de vitale ziel in het dier blijft, is zijn vlees verboden als voedsel voor de mens. Op het eerste gezicht lijkt dit gebod uit de toon te vallen. Dat komt doordat de zeven universele geboden slechts het (strafbare) minimum weergeven van moreel gedrag. Als morele mensen zouden we ons echter uit moeten strekken naar het maximum van moreel gedrag. Tegenover moord staat bijvoorbeeld bescherming van leven en tegenover godslastering staat God prijzen. Tegenover dit gebod zou kunnen staan: onnodig dierenleed voorkomen, gezond eten of leren je instincten te beheersen op elk gebied. Tegenover dit gebod staat niet vegetarisme. Rechtsorde (םיניד, diniem, ‘wetten’) De kinderen van Noach zijn geboden om rechtbanken op te zetten die menselijke rechtvaardigheid en moraliteit handhaven in overeenstemming met de zeven universele wetten. Iemand die geen rechtbank opzet, dat wil zeggen die leeft in een gemeenschap of stad waar geen rechtbanken zijn, en geen actie onderneemt om de situatie te corrigeren, is des doods schuldig. Iemand die rechtbanken opzet of handhaaft die tegengesteld te werk gaan aan de zeven universele wetten is even schuldig. Noachieten zijn niet per se voor het invoeren van de doodstraf. Als er wordt gezegd dat een bepaalde overtreding de doodstraf verdient, dan is dat in de eerste plaats om de ernst van de overtreding aan te geven. Volgens de Talmoed werd het hooggerechtshof in Israël als moordlustig ervaren als het meer dan één doodstraf in 7 of zelfs 70 jaar oplegde. De Talmoed heeft het zelfs over een uitsluitend theoretische classificatie van belangrijke geboden. gebaseerd op: Chaim Clorfene en Yaakov Rogalsky, The Path of the Righteous Gentile (Southfield, MG: Targum Press, 1987)
Terug naar homepagina Terug naar homepagina